Waarom is het voor veel mensen onmogelijk geworden om een betaalbare woning te vinden? De situatie die er nu is, kunnen we beter begrijpen als we de geschiedenis van de volkshuisvesting in Nederland induiken. Lees mee en ga terug in de tijd. Ontdek hoe oplossingen uit het verleden, een uitkomst zijn voor de toekomst.
De geschiedenis van de wooncoöperatie
Wooncoöperaties zijn niet nieuw. De eerste coöperatieve woningbouwvereniging werd halverwege de 19de eeuw opgericht om de huisvestingssituatie van arbeiders te verbeteren. Rond 1900 zijn er meer dan 100 wooncoöperaties opgericht door heel Nederland. Dan komt de eerste Woningwet, die de mogelijkheden voor wooncoöperaties erg beperkt. Het gevolg? Rond 1920 zijn bijna alle wooncoöperaties verdwenen. Een eeuw later wordt die Woningwet herzien om opnieuw ruimte te geven aan wooncoöperaties, maar daar komt nog maar weinig voor terecht. Het kan anders. Sterker nog: we hebben het al anders gedaan. Daarom gaan we terug in de tijd; naar toen de volkshuisvesting op z’n best was.
De eerste coöperatieve woningbouwvereniging
In 1852 werd in Amsterdam de Vereniging ten behoeve der Arbeidersklasse opgericht. Een initiatief van verlichte liberalen, ondernemers en gegoede burgers. Ze wilden fatsoenlijke huisvesting voor arbeiders tegen een beetje huur. Dat gebeurde niet zomaar. In de jaren daarvoor waren meer dan 50.000 mensen door cholera overleden. Deze cholera-epidemieën konden ontstaan doordat veel arbeiders in vochtige en overbevolkte eenkamerwoningen woonden, zonder schoon, stromend water en riolering. Hygiëne en volksgezondheid, het voorkomen van sociale onrust en commerciële overwegingen waren belangrijke motieven voor het verbeteren van de stedelijke infrastructuur en woonomstandigheden.
Coöperaties schieten als paddenstoelen uit de grond
Het duurt even voordat deze beweging echt vleugels krijgt, omdat er veel geld nodig is om deze wooncoöperaties te bouwen. In 1868 wordt in Amsterdam de Bouwmaatschappij tot Verkrijging van Eigen Woningen (BVEW) opgericht. Dit wordt gezien als de start van de arbeiderscoöperaties die zich specifiek voor huisvesting inzet. De woningen bestaan nog en worden door Woonstichting De Key verhuurd. Tussen 1870 en 1900 worden zo’n 100 wooncoöperaties opgericht door heel Nederland.
De Woningwet van 1901 verandert de volkshuisvesting
In 1901 treedt de Woningwet in werking. Deze wordt opgericht om meer structuur aan te brengen in het landschap van arbeiderscoöperaties. Volkshuisvesting wordt een zaak van het Rijk. De bedoeling was om te zorgen voor goede en betaalbare woningen. Maar door de geldende regels verandert de aard van de coöperaties. In een notendop:
- De Woningwet verplichtte wooncoöperaties om marktconforme huren in rekening te brengen. Tot die tijd betaalden huurders kostprijshuren.
- Wooncoöperaties kregen geen status als ‘Toegelaten Instelling’, omdat ze op termijn eigendom zouden kunnen verwerven over de woningen door het opbouwen van rendement over hun aandelenkapitaal. Dat werd als ongewenst beschouwd: gemeenschapsgeld moest niet leiden tot vermogen bij aandeelhouders (de gewone burger) van de coöperatie. Alleen met de status ‘Toegelaten Instelling’ kregen initiatieven steun van het Rijk in de vorm van subsidies, garanties en (rijks)leningen bij de bouw en exploitatie van sociale woningbouw.
- Toegelaten Instellingen (wooncorporaties in de volksmond) veranderden door de wet van democratische, zelfbestuur-organisaties naar een uitvoeringsinstrument voor overheidsbeleid.
Het gevolg? Rond 1920 zijn bijna alle wooncoöperaties verdwenen.
Van ‘leden’ naar ‘klanten’
In de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw groeit de overtuiging dat de markt meer ruimte moet krijgen. Dat gebeurt ook met de volkshuisvesting. Het idee dat de burger vooral een consument is, die het beste gediend is met concurrentie onder aanbieders, wint terrein. Corporaties spreken niet meer over ‘leden’ maar over woonconsumenten. Ze zijn niet meer betrokken bij het bepalen van het beleid, maar zijn buiten de organisatie komen te staan. Daarmee verdween de inspraak van huurders via een ledenraad. In de jaren 90 namen woningbouwverenigingen afscheid van hun verenigingsvorm en werden instituten met beroepskrachten; ondernemingen met een publieke taak.
De woningcorporatie: voor sociale huur
Tijdens Rutte I en Rutte II worden maatregelen genomen waardoor de corporaties zich alleen nog behoren in te zetten voor de sociale sector. Het middenhuursegment wordt ook aan de commerciële markt overgelaten. Ook uit Brussel wordt de druk opgevoerd, maar uiteindelijk is het de Nederlandse politiek zelf die besluit dat de grens voor de sociale huursector zo in te perken. Geen enkel ander land hanteert zo’n strikte grens.
De Woningwet van 2015
In 2015 wordt de Woningwet herzien, waarin o.a. de positie van huurdersorganisaties wordt versterkt. Pas de afgelopen jaren wordt de wooncoöperatie weer herontdekt en heeft het overeenkomsten met het ontstaan van wooncoöperaties in de vorige eeuw. Het doel is om voor en met burgers betaalbare en kwalitatief hoogwaardige(re) woningen te bouwen. Dat is ook wat we nu in Groningen gaan doen. Samen lukt het.